Afgelopen weken verscheen een drietal rapporten die elk op hun eigen manier hun licht laten schijnen op de ontwikkelingen binnen de farmaceutische industrie. EFPIA gaat in op de wereldwijde positie van Europa en wijst op het wegvloeien van innovatie naar de VS en China. WiFOR schetst hoe investeringen in farmaceutische innovatie zichzelf dubbel en dwars terugverdienen. Dit geldt des te meer voor Nederland. Tot slot legt een analyse van TNO Vector bloot dat Nederland uitblinkt in export, maar te weinig investeert in innovatie om deze positie te behouden. In dit artikel zetten wij de belangrijkste bevindingen op een rijtje.
EFPIA: VS en China vergroten voorsprong op Europa
Het EFPIA-rapport ‘The Pharmaceutical Industry in Figures 2026’ (pdf) schetst een Europese farmaceutische sector die weliswaar licht groeit, maar haar innovatieve koppositie definitief heeft verloren aan de VS en China. De grote regulatoire complexiteit en versnippering, tezamen met de fiscale soberheid, maken Europa in wereldwijd perspectief tot een steeds onaantrekkelijker oord voor investeringen in farmaceutische innovatie, aldus EFPIA. Als deze trend niet wordt gekeerd, zal de verschuiving van economische en onderzoeksactiviteiten naar sneller groeiende markten buiten Europa hoogstwaarschijnlijk doorzetten, zeker gezien de toenemende assertiviteit van zowel de VS als China op het wereldtoneel.
In 2025 investeerde de sector in Europa naar schatting € 60 miljard in R&D, een lichte stijging ten opzichte van de ruim € 56 miljard in 2024. Desondanks leverde Europa in als bron van nieuwe moleculen. Van de 104 nieuwe actieve stoffen waren er 46 afkomstig van Chinese bedrijven, 28 uit de VS en 16 uit Europa (in 2024 ging het om 18 van de 81 moleculen). Ook bij de commercialisering van nieuwe medicijnen blijft Europa achter. Van alle nieuwe geneesmiddelen die tussen 2020 en 2024 werden gelanceerd, werd 74,1% van de omzet in de VS gerealiseerd, vergeleken met slechts 15,6% in de Europese top 5-markten, te weten Frankrijk, Duitsland, Italië, Spanje en het VK.
Het personeelsbestand in de farmaceutische industrie in Europa is ook beperkter dan in de rest van de wereld. Zo waren in Europa in 2025 naar schatting 125.000 mensen werkzaam in farmaceutische R&D. In 2024 waren dat er al 202.008 in China. Een stevige groei vergeleken met de 55.234 personen in 2010. Daarnaast groeiden de Europese top 5-markten tussen 2020 en 2025 gemiddeld met 8,4%, wat lager is dan de groei in de VS (11,4%), Brazilië (13,8%) en India (10,3%). In China bleef de groei in diezelfde periode beperkt tot 3,2%.
Nederlandse farmaceutische industrie: uitblinker in export, underperformer in R&D
Nederland realiseerde in 2024 een farmaceutische exportwaarde van bijna € 63 miljard ten opzichte van een import van nagenoeg € 50 miljard. Met een positieve handelsbalans van ruim € 13 miljard staat Nederland op de zesde plaats in Europa. Ierland voert deze ranglijst aan met een handelsbalans van maar liefst bijna € 84 miljard, gevolg door Zwitserland met nagenoeg € 56 miljard en Duitsland met zo’n € 41 miljard. Ook Denemarken en België rapporteren iets hogere handelsbalansen dan Nederland.
De waarde van de farmaceutische productie in Nederland bedraagt ruim € 16 miljard. Op dit vlak wordt Nederland ruimschoots overtroffen door landen zoals Ierland (€ 88 miljard), Zwitserland (€ 64 miljard), Duitsland (€ 38 miljard), Denemarken (€ 38 miljard) en België (€ 28 miljard). Op het gebied van private R&D-investeringen in de farmasector is het contrast ook groot. In Nederland werd hier in 2024 € 1,1 miljard in geïnvesteerd, vergeleken met bijna € 11 miljard in Duitsland en € 6 miljard in België. Welk percentage naar R&D binnen de farmaceutische sector ging is niet bekend. Het Nederlandse personeelsbestand, direct gelieerd aan de farmaceutische industrie, is met 26.600 medewerkers relatief bescheiden en goed voor een veertiende plaats in Europa.
WifOR: Iedere geïnvesteerde euro in farmaceutische innovatie verdient zich dubbel en dwars terug
De zojuist beschreven Europese en Nederlandse innovatiekloof wringt des te meer wanneer we de bevindingen van het rapport ‘How innovation drives health and growth in Europe‘ (pdf) van het WifOR Institute (i.o.v. EFPIA) in acht nemen. De rode lijn van het rapport is dat farmaceutische uitgaven niet primair als kostenpost moeten worden gezien, maar als een investering in de volksgezondheid en economie die zichzelf ruimschoots terugverdient. Deze stelling wordt theoretisch onderbouwd. Het onderzoek vond plaats in 29 landen en is opgebouwd uit drie samenhangende modules die de waardeketen van innovatie in kaart brengen.
Onderzoeksopzet
Eerste module
De eerste module meet de impact van farmaceutische innovatie op gezondheidsuitkomsten. Daarbij is gebruikgemaakt van het concept ‘drug vintage’, ofwel het gewogen gemiddelde jaar van FDA-goedkeuring van gebruikte medicijnen. Gecorrigeerd voor de mate van gebruik wordt gekeken in welke mate het geneesmiddelenarsenaal in een bepaald land is verjongd in de periode 2014-24. Vervolgens wordt bepaald welke impact dit heeft op de gezondheid (gecontroleerd voor wereldwijde effecten die uitkomsten beïnvloeden – zoals nieuwe internationale richtlijnen – en landspecifieke effecten zoals BBP-groei of het onderwijsniveau). Specifiek is gekeken naar de gewogen drug vintage in de ATC-klasses A (Alimentary tract and metabolism), L (Antineoplastic and immunomodulating agents) en R (Respiratory system).
Tweede en derde module
De tweede module vertaalt de via innovatie behaalde gezondheidswinst, zoals vermeden sterfte, minder ziekenhuisopnames en verbeterde directe- en indirecte arbeidsproductiviteit, naar sociaaleconomische waarde in euro’s. De derde module berekent de Return on Investment (ROI) door deze maatschappelijke baten af te zetten tegen de extra kosten van innovatieve middelen, oftewel de kosten die nodig waren voor de respectievelijke stijging van de drug vintage.

Figuur 1: Overzicht onderzoeksmodules binnen WifOR-rapport (bron: WifOR)
Uitkomst: Een bescheiden inzet op innovatie levert al grote resultaten op
Hoewel de onderzoekers spreken van een ‘verjonging’ (oftewel een hogere drug vintage) van het medicijngebruik in Europa, kan dit in een breder perspectief ook als een waarschuwingssignaal worden opgevat. Tussen 2014 en 2024 steeg de gemiddelde drug vintage (het gewogen gemiddelde jaar van FDA-goedkeuring) in Europa immers maar met 3,1 jaar (van ong. 1988 naar 1991). Patiënten verkrijgen dus relatief vaker toegang tot nieuwere therapieën, maar omdat deze stijging veel trager verloopt dan het verstrijken van de tijd, groeit de relatieve innovatiekloof. Terwijl een medicijn in 2014 gemiddeld bijna 26 jaar oud was, is dat in 2024 opgelopen naar ruim 32 jaar.
Voor de 29 onderzochte landen leidde deze bescheiden stijging in drug vintage tussen 2014 en 2024 desalniettemin tot een besparing van 1,83 miljoen verloren levensjaren en 20,9 miljoen ziekenhuisdagen. De totale sociaaleconomische waarde hiervan wordt geschat op € 66,2 miljard, wat neerkomt op een gemiddelde ROI van 5,7x per geïnvesteerde euro. Alleen al de besparingen in de ziekenhuiszorg zorgen ervoor dat gemiddeld 80 cent van elke euro aan extra medicijnkosten onmiddellijk wordt terugverdien, nog voordat de winst in arbeidsproductiviteit wordt meegeteld.
Return on Investment: Nederland gaat aan kop
Nederland noteert in relatieve termen een zeer sterke ROI. Waar de Europese ROI 5,7x bedraagt, haalt Nederland een maatschappelijke waarde van maar liefst € 10,50 uit elke euro die extra aan innovatie wordt uitgegeven. Dit is nagenoeg de hoogste ROI van alle onderzochte landen. Alleen Litouwen (11,2x) en Estland (11,1x) scoren hoger, en ook Luxemburg (10,2x) komt bij de Nederlandse ROI in de buurt. De hoge ROI van 10,5x in Nederland wordt mede gedreven door een zeer sterke reductie van kosten voor ziekenhuiszorg. De besparingen in ziekenhuizen dekken de investeringskosten meer dan dubbel. Met een ROI van 2,3x via verminderde ziekenhuisopnamen scoort Nederland wederom het hoogst van alle onderzochte landen.
In totaal leverde farmaceutische innovatie de Nederlandse samenleving in de onderzochte periode bijna € 2 miljard op, waarvan zo’n € 1,3 miljard bestond uit het directe behoud van arbeidsproductiviteit. Hiermee scoort ons land ver onder koplopers zoals het VK (€ 13 miljard), Duitsland (€ 12 miljard) en Frankrijk (€ 7 miljard). Het VK rapporteert eveneens een hoger dan gemiddelde ROI (9.1x). Of de door verhoogde drug vintage veroorzaakte gezondheidswinst zich vertaalt in relatief grote economische opbrengsten, wordt grotendeels bepaald door verschillen in productiviteit per werknemer (Gross Value Added; GVA) en de daaruit voortvloeiende consumptie. Hogere consumptie leidt indirect mogelijk weer tot verdere groei van de GVA.

Figuur 2: Economische rationale achter WifOR-rapport (bron: WifOR)
Hoewel de data rond de ROI van farmaceutische innovatie indrukwekkend zijn, geven de onderzoekers aan dat zij hun uitkomsten slechts als conservatieve schattingen beschouwen. Dit omdat de investeringen berusten op brutolijstprijzen en de daadwerkelijk betaalde prijzen lager zijn en de ROI dus hoger. Bovendien omvat de analyse slechts de economische baten van vermeden vroegtijdige sterfte. De maatschappelijke waarde van verminderd ziekteverzuim en behouden arbeidscapaciteit is niet meegeteld. Daarnaast is er sprake van een meetfout in de drug vintage; naar schatting 52% tot 72% van de relevante geneesmiddelen valt buiten de onderzochte ATC-groepen.
TNO: Nederlandse innovatiebasis kansrijk maar kwetsbaar
Dat Nederland goed scoort wat betreft de ROI van farmaceutische innovatie, komt ook naar voren in een recent gepubliceerde analyse van TNO Vector. Hieruit blijkt dat de farmaceutische sector de snelst groeiende toegevoegde waarde heeft. De sector groeide tussen 2019 en 2024 met maar liefst 83,5%, meer dan het dubbele van het gemiddelde van alle sectoren in Nederland. Net als het EFPIA-rapport wijst TNO op de relatief sterke exportpositie van de Nederlandse farmaceutische industrie, waarbij 93% van de productie is bestemd voor de wereldmarkt. De Nederlandse sector weet zich bovendien te specialiseren in zeer complexe productcategorieën zoals celtherapie, waarin het een wereldmarktaandeel van maar liefst 23% bezit. Door te specialiseren in dergelijke complexe therapieën, kan de Nederlandse markt volgens TNO minder kwetsbaar worden en kan Nederland haar comparatief voordeel optimaal uitspelen.
Toch waarschuwt TNO voor een steeds groter wordende ontkoppeling tussen economische groei en innovatiekracht. Hoewel de toegevoegde waarde piekt, laten de patentpositie (waarin zowel het aantal patenten als de technologische en economische waarde daarvan is meegenomen) en R&D-intensiteit (het deel van elke verdiende euro dat weer in onderzoek wordt geïnvesteerd) een tegengesteld beeld zien. De patentpositie groeide van 2019 tot 2024 met 61.1% en deze groei vlakt sterk af. In 2025 groeide de patentpositie slechts met 0.9%. Ondertussen daalde de R&D-intensiteit van 4,1% in 2019 naar 2,9% in 2023. In absolute getalen bleven de investeringen in R&D immers gelijk, terwijl de toegevoegde waarde dus sterk groeide. Dit alles terwijl Nederland op het gebied van R&D een goede uitgangspositie heeft dankzij hoogwaardige faciliteiten en toonaangevende universiteiten en umc’s, zoals AmCham al schetste.
De ontwikkelingen in Nederland rond de farmaceutische R&D-intensiteit vormen een groot contrast met landen zoals België en Duitsland, waar de R&D-intensiteit op respectievelijk 22,6% en 20% ligt en de investeringen meer gelijke tred houden met de toegevoegde waarde van de sector.
TNO Vector-analyse ademt de geest van het Wennink-rapport
TNO wijst op een ‘innovatieparadox’: Nederland is wetenschappelijk ijzersterk, maar slaagt er onvoldoende in om dit te verzilveren in bedrijvigheid. Dit komt door barrières in vroege financiering, trage decentrale procedures met ziekenhuizen en een relatief stringent vergoedingenbeleid. De analyse echoot de centrale bevinding van het Wennink-rapport, namelijk dat “economisch verdienvermogen alleen houdbaar is als ook de technologische basis wordt versterkt”. De belangrijkste aanbeveling van TNO is knelpunten in de vroege-fasefinanciering, markttoegang en publiek-private samenwerking gericht aan te pakken. Alleen dan kunnen de private R&D-investeringen weer gaan meegroeien met de sterke economische sectorgroei en kan de technologische basis van de Nederlandse exportpositie behouden blijven.
Wordt de innovatieparadox onhoudbaar?
Alles bij elkaar schetsen de drie rapporten een helder, maar ongemakkelijk beeld. Europa verliest terrein in de mondiale innovatierace, terwijl juist farmaceutische innovatie aantoonbaar grote maatschappelijke en economische baten oplevert. Nederland vormt binnen dat beeld een opvallende casus: het weet uitzonderlijk veel waarde te halen uit nieuwe geneesmiddelen en beschikt over een sterke exportpositie, hoogwaardige kennisinstellingen en niches waarin het internationaal kan uitblinken. Tegelijkertijd blijft de private R&D-basis achter bij deze economische prestaties. Daarmee dreigt Nederland vooral te profiteren van bestaande sterktes op basis van gedane investeringen in het verleden, zonder voldoende te investeren om deze positie op langere termijn te behouden. De hamvraag volgens aangehaalde rapportages is dan ook niet of farmaceutische innovatie rendeert, maar of Nederland en Europa bereid en in staat zijn de randvoorwaarden te creëren om dit rendement toekomstbestendig te verwezenlijken.
Bron: Axon Healthcare, European Federation of Pharmaceutical Industries and Associations (EFPIA), TNO, WifOR
