In aanloop naar de kabinetsreactie op het MAUG-rapport kregen Kamerleden de kans vragen te stellen via een Schriftelijk Overleg. Kamerleden stelden zoal kritische vragen over de mogelijke gevolgen van de voorgestelde benadering van innovatie, toegankelijkheid en het vestigingsklimaat. Minister Bruijn verdedigt het huidige geneesmiddelenbeleid. Hij ziet het nieuwe, door het ZIN te ontwikkelen, beoordelingskader op basis van het MAUG-rapport juist als een kans om de toegang tot geneesmiddelen in Nederland te versnellen.

Maatschappelijk aanvaardbare prijzen: een risico voor toegankelijkheid?
Kamerleden vroegen zich af of prijscriteria voortvloeiend uit het MAUG-rapport (‘maatschappelijk aanvaardbare prijzen’) Nederland op achterstand gaan zetten wat betreft toegankelijkheid. Volgens minister Bruijn kan het nieuwe beoordelingskader mogelijk juist tot snellere besluiten leiden. Het vaker adviseren van een concreet kortingspercentage door het ZIN bij pakketbesluiten zou de doorlooptijd van onderhandelingen kunnen verkorten. Tegelijkertijd kan het sterker toezien op de maatschappelijke aanvaardbaarheid van geneesmiddelenprijzen ook betekenen dat toegang vertraagt of uitblijft. Volgens Bruijn is dat acceptabel, omdat het MAUG-rapport bevestigt dat de discussie in Nederland niet moet gaan over snelle introductie, maar over proportionaliteit van prijs en gezondheidswinst.

Betalingsbereidheid en kostenverdeling
De PVV vroeg hoe het zogeheten consumenten- en fabrikantensurplus uit het MAUG-rapport wordt verdeeld. De minister onderschrijft een “rechtvaardige verdeling”, maar laat de concrete invulling over aan zijn opvolger, Sophie Hermans (VVD), omdat het ZIN  nog met de nadere uitwerking komt. Hetzelfde geldt voor de aanbevelingen rondom het versterken van geneesmiddelenconcurrentie. Deze discussie raakt direct aan de manier waarop Nederland de betalingsbereidheid voor geneesmiddelen vaststelt.

Kamerleden vroegen in dat verband ook naar het vermeende “openbare maximumtarief”. Volgens de minister doelen zij daarmee op de “veelgehoorde klacht” over het uitblijven van een nieuwe indexatie van de QALY-referentiewaarde. Bruijn benadrukt dat dit geen vaste prijsplafonds zijn, maar relatieve maatstaven die aangeven hoeveel de samenleving wil betalen voor extra gezondheidswinst, afhankelijk van de ernst van de ziekte. Volgens Bruijn wijzen stabiele referentiewaarden niet op een afnemende betalingsbereidheid, maar op de bevestiging dat doelmatigheid steeds zwaarder weegt bij pakketbeslissingen. Tegelijkertijd oogt die stabiliteit slechts relatief: doordat de huidige referentiewaarden al in 2015 door het ZIN werden opgesteld en niet zijn geïndexeerd, kun je ze moeilijk stabiel noemen ten opzichte van de inflatie.

De sluis, een verouderd beleidsinstrument?
Kamerleden vragen zich eveneens af of het Nederlandse geneesmiddelenbeleid, met name de sluisprocedure, niet is verouderd en het vestigingsklimaat schaadt. De minister geeft aan dat voor hem niet duidelijk is wat er “verouderd” zou zijn aan de sluis, die in 2018 is ingevoerd. Vervolgens draait hij het argument over vertraagde toegang om. Bedrijven kunnen volgens Bruijn zelf invloed uitoefenen op de doorlooptijd door maatschappelijk aanvaardbare prijzen te vragen en geneesmiddelen te ontwikkelen met aantoonbare klinische en maatschappelijke meerwaarde. Op die manier kunnen patiënten eerder toegang krijgen en hebben fabrikanten een langere terugverdientijd. Wel ziet hij dat fabrikanten behoefte hebben aan meer voorspelbaarheid van overheidszijde. Daarom wordt via het Toekomstbestendig Stelsel Geneesmiddelen gewerkt aan harmonisatie en vroegtijdige duidelijkheid over plaatsbepaling, patiëntvolume en bewijslast.

Transparantie in kostprijsontwikkeling
Op vragen rondom prijstransparantie stelt Bruijn dat in besluiten rond geneesmiddelenvergoeding niet de kostenstructuur van de fabrikant centraal moet staan, maar de relatieve waarde van de behandeling. Het kostprijs-plusmodel wijst hij om diezelfde reden van de hand. Hij voegt daaraan toe dat het afdwingen van volledige transparantie van nettoprijzen waarschijnlijk zal leiden tot lagere kortingen en uiteindelijk dus hogere uitgaven, omdat de onderhandelingspositie van de overheid ten opzichte van farmaceuten hiermee verslechtert. Dat prijstransparantie en toegankelijkheid inderdaad haaks op elkaar zouden kunnen staan, bleek eerder al uit onderzoek.

Nederland als free-rider?
Sommige Kamerleden zijn van mening dat Nederland relatief weinig bijdraagt aan mondiale innovatie doordat slechts een laag percentage van het bbp aan innovatieve geneesmiddelen wordt uitgegeven. De minister vindt die redenering “te kort door de bocht”.  Investeringen staan volgens Bruijn niet per definitie gelijk aan maatschappelijke meerwaarde en hogere uitgaven leiden niet per se tot betere uitkomsten. Bruijn noemt de vergelijking zelfs “inhoudsloos”, omdat de betreffende Kamerleden geen oog zouden hebben voor uitkomsten. Bovendien kunnen eventuele lage uitgaven aan geneesmiddelen volgens hem gepaard gaan met hoge uitgaven elders in het zorgsysteem.

De impact van Most Favoured Nation-beleid
Op geopolitiek terrein zijn er zorgen over het Amerikaanse “Most Favoured Nation” (MFN)-beleid en de mogelijke gevolgen hiervan voor Nederland. Ook de minister ziet het risico dat fabrikanten prijsdruk uit de VS gaan compenseren via hogere (lijst)prijzen, of vertraagde markttoegang in Europa. Hij vindt het “zeer ongepast” als Europese patiënten zouden moeten opdraaien voor prijsverlagingen die in ander landen zijn afgedwongen. Dat oordeel is weliswaar helder, maar de minister legt niet uit hoe Europa of Nederland autonome onderhandelingsruimte kunnen behouden als de verwachte effecten van het Amerikaanse prijsbeleid werkelijkheid worden. Bruijn geeft slechts aan in overleg te zijn met EU-collega’s om gezamenlijk op dergelijke situaties te kunnen reageren. In antwoord op vragen van het CDA geeft hij bovendien aan dat het MFN-beleid nu nog geen negatieve gevolgen lijkt te hebben voor Nederland. Dit komt overeen met zijn eerdere reactie op de brandbrief van de VIG, Nefemed en Diagned, over hetzelfde onderwerp.

Bruijn kiest voor behoud huidige koers
Al met al verdedigt minister Bruijn vooral het huidige vergoedingsstelsel en laat hij voor bepaalde thema’s de beantwoording aan zijn opvolger. Opvallend is dat Bruijn zich nog weinig zorgen lijkt te maken over de impact van Amerikaans prijsbeleid, terwijl wordt verwacht dat dit de lijstprijzen in Europa gaat opdrijven. Concrete stappen om ook in een dergelijke context waardegedreven farmaceutische zorg te kunnen realiseren, schetst de minister nog niet. Wel geeft hij aan dat een eventuele beleidsreactie op Europees niveau moet worden georganiseerd, wat gezien de internationale context begrijpelijk is.


Bron: Axon Healthcare, De Volkskrant, Ministerie van VWS, Skipr, Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen (VIG), Zorginstituut Nederland (ZIN)