Skip to main content

 

De afgelopen tijd hebben we het heen- en weergetrek over het wel of niet ondertekenen van het IZA op de voet kunnen volgen, inclusief wat er volgens welke partij mist in het akkoord. Maar wat staat er nu eigenlijk wél in en wat voor implicaties heeft dat voor de aankomende jaren?

Waarom is het IZA nodig?

Als opvolger van de Hoofdlijnenakkoorden (HLA’s) moet het IZA (pdf) voor toegankelijke, goede en betaalbare zorg zorgen en zo de transitie naar passende zorg versnellen. Daarbij dient de groeiende zorgvraag het hoofd geboden te worden met hetzelfde aantal mensen werkzaam in de zorg als nu. Bovendien verdrievoudigen de zorgkosten tussen nu en 2060 als er niets verandert en dreigt de zorg alle andere beleidsterreinen te verdringen: in de Miljoenennota van 2023 valt te lezen dat de zorg voor het eerst de grootste bruto uitgavenpost is van de rijksoverheid.

Uit alle adviezen over toekomstbestendige zorg zijn voor het IZA de volgende opgaven geformuleerd:

  • Waarborgen van gelijke toegang tot zorg van goede kwaliteit, daarbij rekening houdend met de diversiteit van de bevolking en bijbehorende keuzevrijheid;
  • Inzetten op gezondheid en welzijn door middel van preventie en ondersteuning, zowel door het bevorderen van een gezonde leefstijl en mentale gezondheidsvaardigheden als het versterken van de sociale omgeving en zelfredzaamheid. Gemeenten vervullen hierin een essentiële rol;
  • Afremmen van medicalisering: niet elke hulpvraag is een zorgvraag en niet bij elke zorgvraag past een medisch antwoord;
  • Optimaal inzetten van beschikbare capaciteit;
  • Verminderen van administratieve lasten;
  • Behouden van zorgprofessionals;
  • Inzetten op elektronische gegevensuitwisseling;
  • Verbeteren van uitkomstinformatie, bewezen innovaties snel en effectief opschalen en niet-passende zorg afschalen;
  • Gericht ondersteunen of vervangen van capaciteit door technologische toepassingen;
  • Groene en klimaatneutrale zorg.

De Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) adviseerde nadrukkelijk dat het – in tegenstelling tot in de eerdere HLA’s – meer over de inhoud dan over financiën moet gaan, maar is dat ook gebeurd? Kan een akkoord bovendien goed werken als er zoveel verschillende partijen aan de onderhandeltafel hebben gezeten, of is het dan een suboptimaal akkoord? En hoe bindend is het akkoord; zijn er harde doelstellingen in opgenomen?

Wat staat er in het IZA?

Het IZA is gestoeld op Passende Zorg. Voor de zomer is er een kader voor opgesteld dat alle spelers in de zorg in één plan heeft gevangen, waardoor samenhang over de gehele breedte van de zorgsector inzichtelijk is gemaakt en het voor alle partijen gemakkelijker zou moeten zijn om elkaar aan te spreken op hun verantwoordelijkheid om tot passende zorg te komen.

De vier uitgangspunten van passende zorg plus één extra (Passende zorg wordt geleverd in een prettige werkomgeving) zijn leidend voor acht verschillende onderdelen van de werkagenda in het IZA. Deze onderdelen zijn:

 
  1. Passende zorg: waardegedreven – samen met de patiënt, pakket en kwaliteit;
  2. Regionale samenwerking;
  3. Versterking organisatie eerstelijnszorg;
  4. Samenwerking sociaal domein, huisartsenzorg en ggz;
  5. Gezond leven en preventie;
  6. Arbeidsmarkt en ontzorgen zorgprofessionals;
  7. Digitalisering en gegevensuitwisseling;
  8. Contractering.

Onderaan het artikel is een samenvatting te vinden van de werkagenda

Hoe vertalen de afspraken zich financieel?

Voor de Zvw is het macrokader bruto € 54,8 miljard in 2022. De maatregelen uit het regeerakkoord leiden tot een jaarlijkse ruimte voor volumegroei van € 0,8 miljard in 2023, oplopend tot € 2,9 miljard in 2026. De financiële afspraken in het IZA hebben betrekking tot de volgende sectoren: msz, ggz, wijkverpleging, huisartsenzorg, multidisciplinaire zorg (MDZ), Eerstelijnsverblijf (ELV), Geriatrische Revalidatiezorg (GRZ) en geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen (GZSP).

In het algemeen betekent dit dat elke sector de aankomende jaren in meer of mindere mate mag groeien in volume. Voor de ggz en msz loopt dit percentage gedurende de komende jaren af – in de msz zelfs naar 0% in 2026 – maar in de andere sectoren loopt dit percentage op (zie tabel 1). Voor de sectoren ELV, GRZ en GZSP zijn geen groeipercentages afgesproken, maar vinden partijen het wenselijk dat ook hier groei mogelijk is; VWS bepaalt dit jaarlijks eenzijdig (voor 2023 is dit ongeveer 3%).

Tabel 1: Volumegroei per sector

  2023 2024 2025 2026
MSZ 1,0% 0,8% 0,4% 0,0%
GGZ 1,0% 0,8% 0,6% 0,4%
Wijkverpleging 2,0% 2,4% 3,0% 3,5%
Huisartsenzorg 2,0% 2,4% 3,0% 3,5%
MDZ 2,0% 3,0% 4,0% 5,0%
Bron: IZA

Voor standaardisatie gegevensuitwisseling is € 1 miljard beschikbaar in de periode 2023-2026. Wat betreft loonontwikkeling is de overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling (OVA) leidend. Er zijn afspraken gemaakt over het doorvertalen van de OVA in de afspraken tussen zorgverzekeraars en aanbieder.

Transformatiegelden

Verder is in het regeerakkoord vastgelegd dat er € 2,8 miljard beschikbaar is aan transformatiegelden, waarvan 50%  beschikbaar is voor de sectoren uit de tabel, naar rato van de sectoromvang. Dit betekent dat het volgende concreet per sector beschikbaar is: € 940 miljoen voor msz, € 160 miljoen voor ggz, € 160 miljoen voor zowel huisartsenzorg als MDZ, en € 140 miljoen voor wijkverpleging. Het resterende bedrag is beschikbaar voor alle partijen voor plannen die bijdragen aan de doelstellingen van het IZA – ook partijen die onder het sociaal domein vallen kunnen hier aanspraak op maken indien in lijn met de IZA-transformatieplannen.

De gelden zijn nadrukkelijk niet bedoeld om de ‘scherpe kantjes’ af te halen van de afgesproken besparingsopdracht. De besparing moet gerealiseerd worden door de maatregelen en transformaties zelf. De gelden zijn incidenteel, en gelden voor een bepaalde periode van vijf jaar waarbij het uitgangspunt ‘use it or lose it’ van toepassing is: niet ingezette middelen komen niet ten goede aan het eigen vermogen van zorgverzekeraars of -aanbieders. Indien het geld van de hierboven genoemde geoormerkte 50% niet in een bepaalde sector wordt gebruikt, komt het beschikbaar voor andere sectoren.

Omdat de gewone concurrentiële doelmatigheidsprikkel tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraar bij deze gelden ontbreekt, ontwikkelt de NZa extra toezichtwaarborgen. Voor 1 januari 2023 werken VWS, de NZa en het ZIN een proces met betrekking tot het toezicht op een rechtmatige en doelmatige besteding van de transformatiemiddelen uit. Om stroperigheid te voorkomen, wordt dit dan op basis van toetsing achteraf, en niet om goedkeuring vooraf. De middelen worden grotendeels toegekend via verzekeraars. Hiervan kan worden afgeweken als het logischer is dat VWS het toekent, bijvoorbeeld bij subsidies.

Hoe hard zijn de afspraken?

Er is afgesproken dat de voortgang van de afspraken wordt gemonitord, waarbij verantwoording wordt afgelegd aan de samenleving. Acties worden daarbij getoetst op duurzaamheid – iets wat door banken  gemist werd  bij de eerder gelekte versies van het akkoord .

Met het akkoord beloven de partijen zich de komende jaren vol in te zetten voor de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid. Het lijkt dus een inspanningsverplichting te zijn. In het IZA zelf wordt gesproken over dat de bewijslast over de inspanningen om de inhoudelijke doelen en besparingen te realiseren bij de betreffende partijen ligt.

Dit alles wordt gemonitord onder regie van VWS; er wordt een programmateam opgetuigd dat de uitwerking van het IZA aanjaagt, de inspanningen volgt en waar nodig bijstuurt. Monitoring van de transformatiemiddelen maakt deel uit van de IZA-kwartaalmonitor, onderdeel van het bestuurlijke IZA-kwartaaloverleg. Om te kijken of de gestelde financiële kaders haalbaar zijn, is er in 2024 een grootschalige tussentijdse evaluatie gepland. De evaluatie zal worden uitgevoerd door een onafhankelijke partij en VWS neemt op basis daarvan een besluit of de ingezette weg gevolgd blijft worden. Indien afspraken aantoonbaar niet leiden tot de beoogde besparingen, dan neemt VWS het initiatief voor overleg en besluitvorming over aanvullende besparingsvoorstellen – ook hierbij wordt een onafhankelijke partij betrokken.

Aanvullende besparingen zouden bijvoorbeeld kunnen komen uit de Ombuigingslijst 2022 (pdf), die op Prinsjesdag is geactualiseerd. Zo kan er bijvoorbeeld worden gekozen voor het afschaffen van de verplichte vergoeding van niet-gecontracteerde zorg (€ 300 miljoen besparing), of het verplichten van medisch specialisten in loondienst (eenmalige kosten € 2 miljard, daarna structureel € 340 miljoen besparing). Ook een aanpassing aan de Wgp door maximumprijs te baseren op gemiddelde van de drie laagste prijzen van landen waarmee vergeleken wordt, of het uit pakket halen van een deel van de extramurale geneesmiddelen waarvan beargumenteerd kan worden dat collectieve verzekering niet noodzakelijk is behoren tot de opties. Let wel, de lijst biedt technische ondersteuning voor politieke keuzes en geeft daarmee geen oordeel over de wenselijkheid van te nemen maatregelen en liggen dus totaal niet vast. Er is bovendien nog geen uitvoeringstoets gedaan, wat betekent dat op dit moment onbekend is of er mogelijke uitvoeringsrisico’s zijn.

Olifant in de kamer

De uiteindelijk ondertekenende partijen zijn ActiZ, De Nederlandse GGZFMS, InEen, NFUNVZ, Patiëntenfederatie Nederland, VNG, V&VN, ZKN, Zorgthuisnl, ZN en VWS. Daarbij zijn ook het ZIN en de NZa nauw betrokken geweest. De minister schrijft in de bijbehorende Kamerbrief (pdf) het jammer te vinden dat het LHV heeft besloten om nu nog niet te tekenen, maar geeft aan dat ze in principe wel de doelstellingen van het akkoord ondertekenen. Naast de organisaties in de binnenring zijn er ook diverse koepels in de ‘buitenring’ uitgenodigd om input op de conceptversie te geven, waaronder bijvoorbeeld de KNMP.

Waarom tekenen de huisartsen (voorlopig) niet? Vooral vanwege het wantrouwen dat de vergoeding voor gewerkte ANW-uren én meer tijd voor de patiënt (MTVP) er niet zal komen – financiële kwesties dus. De LHV stelt dan ook dat ze de aankomende drie maanden gaan kijken of zorgverzekeraars en de NZa over de brug komen met hun wensen. Alleen dan wordt in december alsnog het akkoord ondertekend. ZN heeft inmiddels aangegeven dat zorgverzekeraars de komende maanden in hun contracten vergoeding voor langere consulten zullen zetten. Naast de LHV tekende ook ggz-patiëntenorganisatie MIND niet.

De zogeheten ‘buitenring’ van partijen die wel betrokken zijn, maar niet gevraagd zijn om het akkoord te ondertekenen hebben een belangrijke rol bij het laten slagen van het IZA. De VNG zal in afstemming met VWS en de andere partijen een werkprogramma opstellen waarin staat op welke manier gemeenten invulling aan hun rol kunnen geven en wat hiervoor nodig is.

Deze buitenring heeft echter ook commentaar op het IZA. Zo zegt de KNMP dat het belang van farmaceutische zorg nog onvoldoende wordt onderkend en had graag meer inbreng willen hebben in het geheel. Wel is er een aandeel geleverd rondom het thema van de apotheker als regiehouder van het medicatiedossier. De KNMG vindt het akkoord veel te vrijblijvend, waarin gezondheid en gezond blijven bovendien nog steeds niet centraal staan.

Verder valt of staat een groot gedeelte van het IZA met digitalisering en hybride zorg, aangezien er is afgesproken niet meer zorgmedewerkers te willen hebben. Wat dat betreft is het van groot belang dat de problematiek in de zorg-ict-markt zo snel mogelijk is opgelost. Wel is het positief dat de Wegiz eindelijk is goedgekeurd, waardoor als eerste stap de digitale medicatieoverdracht vanaf 2023 verplicht wordt.

Er is ook gesteld dat het IZA niet zo historisch is als in alle perscommuniqué werd geschreven: er is namelijk geen fundamentele verandering met betrekking tot het systeem van de marktwerking en het stelsel. Wel staat er veel in over samenwerking en coördinatie, maar juist dat staat volgens de RVS op gespannen voet met de gereguleerde marktwerking uit de Zvw. De WRR is op haar beurt niet tevreden over de aanpak omtrent de groeiende vraag naar ggz. Prikkels in de financiering richten zich nog steeds te veel op lichte problematiek, en zo wordt de capaciteit voor patiënten met complexe klachten nog te weinig ondervangen.

Ondanks dat de bewindslieden in de aanbiedingsbrief schreven het RVS-advies (meer over de inhoud, minder over het geld) zoveel mogelijk ter harte hebben genomen, constateerde de RVS dat dit akkoord toch weer is gebaseerd op financiële plannen, namelijk het besparingsdoel uit het coalitieakkoord. Het was daarom ook niet vreemd dat de voltallige oppositie tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen het commissiedebat over het IZA naar vóór de Algemene Financiële Beschouwingen wilde laten verplaatsen, om zo de minister over dit besparingsdoel aan de tand te voelen. De coalitiepartijen hielden de gelederen echter gesloten en stemden als enigen tegen het verzetten van de datum: het commissiedebat blijft staan op 12 oktober.

In de politiek zal de discussie omtrent de zorgfinanciën nog regelmatig de boventoon voeren, maar pas uit de plannen die de aankomende maanden worden ontvouwen moet duidelijk worden welke afspraken worden nagekomen en welke teleurstellingen zullen opleveren.


1. Passende zorg: waardegedreven – samen met de patiënt, pakket en kwaliteit

Zorg is op de eerste plaats effectief, voldoet aan de stand van wetenschap en praktijk en heeft meerwaarde voor de patiënt. Daarnaast is er doelmatige inzet van mensen, middelen en materialen.

In de werkagenda zijn onder andere afspraken gemaakt over pakketbeheer, gepast gebruik, uitkomstinformatie en dure geneesmiddelen. In lijn met het WRR-rapport moeten er scherpe keuzes worden gemaakt over welke zorg onder het basispakket valt, en welke zorg niet langer wordt vergoed. Er is daarom een verbeterde en verbrede toets op het basispakket nodig, en VWS maakt voor 1 januari 2023 duidelijk welke stappen er moeten worden gezet om dit mogelijk te maken. Daarbij maakt VWS de inhoudelijke invulling van de verbreding en verbetering concreet met normerende criteria voor toelating tot het basispakket. In het najaar van 2022 stuurt het ministerie een Kamerbrief hierover.

Wat betreft dure geneesmiddelen hebben partijen (ZNNVZNFUFMS en de Patiëntenfederatie) behoefte aan een sterkere regie door het ZIN en VWS bij toelating van geneesmiddelen tot het pakket. De afspraak is dat VWS verkent hoe het huidige pakketbeheer en de beheerste instroom kan worden verbeterd. Eventuele maatregelen die hieruit voortkomen, komen bovenop de bestaande maatregel uit het coalitieakkoord om de criteria voor sluisplaatsing te verbreden. In het eerste kwartaal van 2023 komt er een Kamerbrief op hoofdlijnen over wat voor type maatregelen VWS voor ogen heeft, en in hoeverre een aanpassing van het wettelijk kader nodig is. Daarbij moeten eventuele aanpassingen nog binnen de komende vier jaar kunnen bijdragen aan de ombuigingen van de geraamde kostengroei voor (dure) geneesmiddelen, zoals ATMP’s.

Verder is de ambitie om dure geneesmiddelen na pakkettoelating periodiek te laten herbeoordelen. Waar de capaciteit vandaan wordt gehaald om dit te laten doen (en wat dat kost), wordt niet genoemd – wel dat er voor de verbreding van de sluis extra mankracht wordt aangesteld. Ook vinden partijen het belangrijk dat het financieel risico van middelen waarover onzekerheid met betrekking tot effectiviteit bestaat na pakkettoelating zoveel mogelijk bij de fabrikant wordt neergelegd. Het ZIN zal worden gevraagd om extra aandacht te besteden aan middelen waarbij de onzekerheid over kosteneffectiviteit niet is afgedekt. Als eventuele oplossing wordt gedacht aan pay for performance, (O)DAP en een lager instaptarief zolang de meerwaarde van het middel nog onvoldoende is aangetoond.

2. Regionale samenwerking

Per zorgregio maken partijen regiobeelden, met daarin concrete plannen waarin staat beschreven hoe er gaat worden samengewerkt. De overheid zorgt voor de juiste randvoorwaarden, zoals het oplossen van knelpunten rondom bekostiging, (financiële) ondersteuning van (domeinoverstijgende) samenwerkingsverbanden en het beschikbaar stellen van basisdata en regioanalyses.

De acute zorg wordt versterkt en er zijn afspraken gemaakt over het voorkomen van acute zorg, concentratie en spreiding en delen van informatie en bekostiging. Ook zijn er maatregelen genomen om de continuïteit van Avond, Nacht en Weekendzorg (ANW-zorg) te waarborgen.

Door concentratie en spreiding moet het zorglandschap toekomstbestendig worden. Daar de ontwikkelingen in diagnostiek en behandelen erg snel gaan, is het belangrijk om de kennis en expertise van zorg verder vorm te geven door meer te specialiseren, differentiëren en concentreren. Met verdere concentratie moet de kwaliteit van zorg worden verhoogd en de toegankelijkheid worden geborgd door het weinige personeel en de dure infrastructuur optimaal in te zetten. De spreiding van zorg vraagt om intensieve samenwerking binnen zorgnetwerken en tussen ziekenhuizen, UMC’s, zelfstandige behandelcentra en zorgverzekeraars.

Het is onvermijdelijk dat er de komende jaren meer differentiatie tussen ziekenhuizen en UMC’s ontstaat, wat leidt tot verschuivingen in het zorgaanbod. Daarom moet er van tevoren een concreet transformatieplan worden gemaakt en een impactanalyse worden uitgevoerd – dit wordt gedaan door zorgverzekeraars en de grootste aanbieder in de regio in samenwerking met betrokken zorgaanbieders, (oncologische) zorgnetwerken, zorgprofessionals en patiënten. Deze analyse wordt beoordeeld door de NZa.

Het is daarbij belangrijk dat alle partijen zich inspannen om de maatschappij duidelijk te maken dat de zorgcapaciteit eindig is en er keuzes moeten worden gemaakt met betrekking tot concentratie en spreiding van zorg. Het is de bedoeling dat VWS hierin een leidende rol pakt, maar wat opvalt is dat er met Prinsjesdag een kans voorbij is gegaan om dit te doen. Zo is VWS voor het eerst de grootste bruto uitgavenpost, maar ging het in het aanbieden van de Miljoenennota en de troonrede met name over koopkrachtmaatregelen. Dit is dan ook vooral door de media opgepakt.

3. Versterking organisatie eerstelijnszorg

Zorgaanbieders en zorgverzekeraars maken afspraken over het verlichten van de werkdruk van huisartsen en andere zorgverleners in de eerste lijn door inzet van digitale (zelf)zorg en ‘Meer tijd voor de patiënt’ bij de huisarts. Ook wordt er gekeken naar samenwerking tussen alle zorgprofessionals in de eerste lijn, en samenwerking van de eerste lijn met ander domeinen (sociaal domein, medisch-specialistische zorg en langdurige zorg).

Concrete afspraken in de werkagenda zijn dat de betrokken partijen (inclusief de LHV) de vele ambities in het IZA vertalen naar een visie op de eerstelijnszorg van 2030. Dit proces wordt nog in september 2022 opgestart en moet voor het einde van 2022 klaar zijn. Hierbij hoort een plan van aanpak tot 2026 dat resultaatafspraken bevat. Omdat de LHV het IZA niet heeft ondertekend is het niet duidelijk of zij hieraan gaat meewerken.

4. Samenwerking sociaal domein, huisartsenzorg en ggz

Door toenemende vraag naar hulp bij psychische klachten staan de ggz, het sociaal domein en de huisartsenzorg onder druk, en dan met name de toegankelijkheid tot ggz-zorg vanwege wachttijden en knelpunten in het aanbod van cruciale en complexe zorg. Hierdoor zijn huisartsen lang verantwoordelijk voor patiënten met een complexe ggz-vraag; de samenwerking tussen deze drie spelers verloopt dus niet altijd en overal optimaal.

Het versterken van de sociale basis, verbeterde overstijgende samenwerking, en wettelijke en financiële mogelijkheden vraagt om samenwerking en een betere organisatie van zorg en ondersteuning: dichtbij, digitaal en via zelfhulpmodules waar het kan, zo vroeg mogelijk en in samenhang. Deze maatregelen zijn bedoeld om mensen eerder de juiste ondersteuning en zorg te bieden, de zorgkwaliteit verder te verbeteren en de wachtlijsten terug te dringen.

5. Gezond leven en preventie

Vanuit de Zvw licht de bijdrage op geïndiceerde preventie, zorggerelateerde preventie, het versterken van gezondheidsvaardigheden en zelfzorg, leefstijl als (onderdeel van de) behandeling en de verbinding met het gemeentelijk domein.

Zorgverzekeraars en gemeenten maken zo snel mogelijk, maar uiterlijk 1 januari 2025 niet-vrijblijvende regionale samenwerkingsafspraken over gezondheidsbevordering van de populatie als geheel en specifiek voor risicogroepen en patiënten. Verder richten ze met ingang van 1 januari 2024 in ieder geval de ketenaanpakken ‘Kansrijke start’, ‘valpreventie bij ouderen’, ‘aanpak overgewicht en obesitas bij kinderen’, ‘de gecombineerde leefstijlinterventie bij overgewicht van volwassenen’ en ‘welzijn op recept’ in. Hierover worden uiterlijk 15 december 2022 in een addendum bij zowel het IZA als het GALA nadere bestuurlijke afspraken gemaakt.

De kritiek dat de financiële prikkel mist om volledige inzet op preventie te verwachten, wordt in het IZA onder andere ondervangen doordat VWS en de NZa gaan kijken op welke manier bekostiging op basis van uitkomsten mogelijk gemaakt kan worden.

6. Arbeidsmarkt en ontzorgen zorgprofessionals

Vanwege de krapte op de arbeidsmarkt zijn er grote problemen om de zorg houdbaar te houden. Er is bovendien minder personeel om aan de steeds grotere zorgvraag te voldoen. Het vergroten van werkplezier en behoud van zorgprofessionals worden als de belangrijkste doelen gezien.

Er zijn afspraken gemaakt over:

  • Professionele ruimte
  • Goed werkgeverschap/dialoog voor behoud en inzetbaarheid
  • Vermindering regeldruk
  • Bevorderen aantrekkelijkheid werken in loondienst
  • Sociale en technologische innovaties
  • Opleiden en begeleidingscapaciteit
  • Eén financieel arrangement vanuit TAZ
  • Ruimte voor arbeidsvoorwaardenontwikkeling in de tarieven
7. Digitalisering en gegevensuitwisseling

Zelf als het kan, thuis als het kan en digitaal als het kan zijn de uitgangspunten van digitale en/of hybride zorg. Hiervoor moeten patiëntengegevens goed beschikbaar, bereikbaar en voor primair en secundair gebruik herbruikbaar zijn. In het IZA is getracht om knelpunten weg te nemen waardoor elektronische gegevensuitwisseling de standaard wordt.

Het is de bedoeling dat er onder regie van VWS nog dit jaar een nationale visie en strategie over elektronische gegevensuitwisseling in de zorg komt. In 2023 wordt er dan gestart met de opzet van een landelijke organisatie die gericht is op ondersteuning van zorgaanbieders en leveranciers bij implementatie van de landelijke infrastructuur.

De Wegiz is onlangs unaniem aangenomen door de Tweede Kamer, dus de eerste stappen tot gemakkelijker gegevensuitwisseling zijn gezet.

8. Contractering

Om de contractrelatie te verbeteren moet het contracteerproces beter worden. Hierover zijn afspraken gemaakt met betrekking tot de verbetering van het contracteerproces, gelijkgerichtheid bij ‘impactvolle transformatie’, sturingsmogelijkheden door contractering en de doorvertaling van loon- en prijsbijstelling.

Zowel zorgverzekeraars als zorgaanbieder maken jaarlijks voor 12 november transparant welke contracten met wie en voor welke polissen zijn afgesloten. Om niet-gecontracteerde zorg zoveel mogelijk tegen te gaan, organiseren IZA-partijen een voorlichtingsprogramma dat erop is gericht om verzekerden in te lichten over de financiële risico’s van niet-gecontracteerde zorg. Er is dus een soort ontmoedigingsbeleid geformuleerd.

Overigens is uitgesproken dat het aanwezig zijn van een beperkt percentage niet-gecontracteerde zorg geen bezwaar is, om zo nieuwe en innovatieve zorgaanbieders tot de markt te kunnen laten toetreden. Wat een ‘beperkt percentage’ is, blijft in het midden. De NZa onderzoekt bovendien de mogelijkheden om niet-gecontracteerde zorgaanbieders te verplichten om patiënten vooraf een schriftelijke offerte te sturen met de kosten. Pas na akkoord kan er met de betreffende behandeling worden gestart. Verder wordt onderzocht in hoeverre de vergoeding van niet-gecontracteerde zorg kan worden verlaagd. Dit wordt voor 1 juni 2023 uitgewerkt. Het principe ‘vrij artsenkeuze’ is hiermee dus niet van de baan, maar het wordt met de afspraken wel flink ontmoedigd.

 

Bron: Axon Healthcare, Follow the Money, Het Financieele Dagblad (FD), KNMP, Ministerie van Financiën, Ministerie van VWS, Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS), Skipr, Tweede Kamer, Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR), Zorgvisie